Definitie voorlopige voorziening

Een voorlopige voorziening is de mogelijkheid voor een persoon, een organisatie of een instelling om een besluit van een bestuursorgaan dat in werking treedt, voorlopig ongedaan te maken door middel van een spoedprocedure bij de voorzieningenrechter (ook wel het kort geding van het bestuursrecht genoemd). Op basis van deze definitie kan dus alleen een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend als het om een besluit gaat in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bezwaar en (hoger) beroep schorsen werking besluit niet op

Als u het niet eens bent met een besluit van een bestuursorgaan, dan kunt u daar in beginsel bezwaar tegen maken en/of (hoger) beroep instellen. Bezwaar en (hoger) beroep schorsen in beginsel echter niet de werking van het besluit waar u het niet mee eens bent. Dit betekent, dat het besluit wel in werking treedt en ook geldig is. Om dit te voorkomen, kan een voorlopige voorziening mogelijk uitkomst bieden.

Verzoek aan voorzieningenrechter rechtbank om voorlopige voorziening

Om te voorkomen dat er door een geldig besluit een onomkeerbare situatie ontstaat, kunt u aan de voorzieningenrechter van de rechtbank vragen om een voorlopige voorziening te treffen. De rechter kan dan het omstreden besluit schorsen tot er een uitspraak wordt gedaan in de bezwaar- of beroepsprocedure. De indiener (verzoeker in deze procedure) kan bijvoorbeeld bereiken dat iemand voorlopig geen gebruik mag maken van een bepaalde vergunning of ontheffing of dat het bestuursorgaan bijvoorbeeld voorlopig wordt verboden om bestuursdwang uit te oefenen.

Door wie kan verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend

Tijdens de bodemprocedure bij de rechtbank kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden gedaan door iedereen die partij is in de hoofdzaak. Om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen is dus niet het zijn van “eiser in de hoofdzaak”, noodzakelijk. Eveneens kunnen belanghebbenden die voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek in de gelegenheid zijn gesteld om als partij aan het geding deel te nemen (toegelaten partijen), een verzoek indienen tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Wanneer kan om voorlopige voorziening worden verzocht

Er gelden drie bijzondere eisen voor een verzoek om een voorlopige voorziening. De eerste is dat bij het verzoek moet worden aangetoond, dat een snelle (voorlopige) beslissing van de voorzieningenrechter noodzakelijk is (het vereiste van de spoedeisendheid). Daarnaast dient er sprake te zijn van onomkeerbare gevolgen bij het in werking treden van het bestreden besluit en een bezwaar- of beroepsprocedure dient uiterlijk tegelijkertijd met het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening te zijn opgestart.

Spoedeisendheid

De jurisprudentie inzake de spoedeisendheid is zeer casuïstisch. Als uit de aard van het besluit of uit het verzoekschrift niet onmiddellijk blijkt welk spoedeisend belang men heeft bij het vragen van een voorlopige voorziening, dan zal dit op de zitting als eerste aan de orde worden gesteld. Soms is het al zonder meer duidelijk wat het spoedeisend belang is.

Als er bijvoorbeeld een kapvergunning is afgegeven, dan volgt uit de aard van het besluit al dat er bij een verzoek om een voorlopige voorziening aan het vereiste van spoedeisendheid is voldaan. Immers, als gewacht zou worden tot de normale bezwaar- en beroepsprocedure is doorlopen, dan is de boom al gekapt en dat is niet meer te terug te draaien in het geval de rechter achteraf concludeert dat de kapvergunning ten onrechte was afgegeven. Een financieel belang op zichzelf is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, maar dit kan anders zijn als er sprake is van een actueel financiële noodsituatie of de continuïteit van een betrokken onderneming in gevaar is.

Onomkeerbaarheid

Wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen, dan zal onverwijlde spoed vereist zijn. Er moet dus niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. De spoedeisendheid heeft als regel betrekking op de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit nog te herstellen, dus de onomkeerbaarheid. Dit betekent niet dat met het verzoek moet worden gewacht tot de onomkeerbare gevolgen daadwerkelijk dreigen in te treden.

Bezwaar of beroep dient al ingesteld te zijn

Een verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen worden ingediend als er uiterlijk tegelijkertijd met het indienen van een verzoekschrift ook een bezwaarschrift is ingediend (opstarten bezwaarschriftprocedure), een procedure in administratief beroep bij een ander bestuursorgaan aanhangig is gemaakt of beroep (bodemprocedure) bij de rechtbank is ingesteld tegen het besluit in kwestie.

Een afschrift van het bezwaar- of (administratief) beroepschrift moet dan ook bij het verzoekschrift worden overgelegd. Er moet dus als het ware een hoofdzaak lopen (processuele connexiteit) tegen het besluit of de uitspraak waarop de gevraagde voorlopige voorziening betrekking heeft (materiële connexiteit).

Treffen voorlopige voorziening alleen op verzoek

Een voorlopige voorziening kan door de voorzieningenrechter alleen worden getroffen als daartoe een verzoek is gedaan. De voorzieningenrechter kan een getroffen voorlopige voorziening wel ambtshalve wijzigen of opheffen. In de bodemprocedure bestaat overigens de mogelijkheid voor de rechtbank (dus niet voor de voorzieningenrechter) om bij de einduitspraak ambtshalve of op verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Een verzoek om een voorlopige voorziening kan tijdens de gehele bezwaar- of beroepsprocedure worden gedaan. Een (te) late indiening kan wel van invloed zijn op de beoordeling van de vraag of er wel onverwijlde spoed is. Voor herhaalde verzoeken om voorlopige voorziening is het vaste rechtspraak dat er sprake dient te zijn van een (belangrijke) wijziging van de relevante feiten of omstandigheden of essentiële feiten die de voorzieningenrechter niet bij zijn eerdere beslissing had kunnen betrekken, dan wel ernstige onvolkomenheden in de eerdere beslissing.

Maatregelen voorzieningenrechter bij toewijzing voorlopige voorziening

In de eerste plaats ziet het begrip “voorlopige voorziening” op een gehele of gedeeltelijke schorsing van het bestreden besluit. Een voorlopige voorziening kan naast gehele of gedeeltelijke schorsing ook andere maatregelen inhouden (bijvoorbeeld de verlening van een voorlopige vergunning).

Nog afgezien daarvan, is de uitspraak van de voorzieningenrechter slechts van kracht totdat in de bodemprocedure is beslist. De uitspraak in de bodemprocedure vervangt namelijk volledig de uitspraak van de voorzieningenrechter. Indien een geschorst besluit in de bodemprocedure door de rechtbank als rechtmatig wordt beoordeeld, dan wordt dat besluit geacht te zijn in werking te zijn getreden vanaf de bekendmaking.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

Als de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het besluit geen enkele twijfel heeft, dan zal het verzoek worden afgewezen. De vraag naar de onomkeerbaarheid dient te worden geplaatst in het kader van het voorlopig oordeel over de rechtmatigheid. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is reden als het besluit naar het voorlopig oordeel van de rechter onrechtmatig is, dus nog los van de vraag of de gevolgen van de uitvoering van het besluit al dan niet onomkeerbaar zijn.

Daarnaast is een voorlopige voorziening aan de orde als de voorzieningenrechter twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit en de uitvoering van het besluit tot onomkeerbare gevolgen leidt. In jurisprudentie zijn echter voorbeelden van uitspraken waarin zowel het spoedeisend belang (onomkeerbaarheid) als de beoordeling van de rechtmatigheid centraal wordt gesteld.