Vormvereisten indiening en intrekking verzoek voorlopige voorziening

De algemene bepalingen over beroep in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet rechtstreeks van toepassing, omdat het vragen van een voorlopige voorziening aan de voorzieningenrechter van de rechtbank niet is te beschouwen als het instellen van beroep bij een administratieve rechter. Toch zijn sommige bepalingen over beroep wel van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat deze bruikbaar zijn voor de voorlopige voorzieningsprocedure.

Dit houdt onder andere in, dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank en dat het verzoek dient te voldoen aan dezelfde vereisten die gelden voor een bezwaar– of beroepschrift. Indien dit niet gebeurt, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijkheid verklaard. Voorts zijn de bepalingen over de verplichte ontvangstbevestiging en kennisgeving aan het bestuursorgaan van toepassing en dat geldt idem dito voor de doorzendplicht voor andere organen.

Als een gemachtigde optreedt, dan moet de voorzieningenrechter de stukken in ieder geval aan deze gemachtigde zenden en een intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening kan schriftelijk, maar tijdens de zitting ook mondeling plaatsvinden. Verder is de hoofdregel is dat elke verzoeker om een voorlopige voorziening griffierecht is verschuldigd. Dit bedrag staat los van het griffierecht dat bij het instellen van beroep voor een bodemprocedure betaald dient te  worden.

Afschrift bezwaar- of beroepschrift

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden vergezeld van een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift met betrekking tot de “hoofdzaak”. Het verzoekschrift dient wel gemotiveerd en in tweevoud te worden ingediend. Een combinatie van een beroepschrift en een verzoek om voorlopige voorziening in één geschrift is op zichzelf mogelijk, maar dan moet in het geschrift expliciet worden aangeduid dat het om een beroepschrift én een verzoek om voorlopige voorziening gaat, aldus de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Procedure voorlopige voorziening met of zonder zitting

Een voorbereidend onderzoek zoals in een bodemprocedure is in een procedure in het kader van een voorlopige voorziening niet aan de orde. Tenzij zonder zitting uitspraak wordt gedaan, volgt op het verzoek zo snel mogelijk een zitting. De indiener van een verzoek om een voorlopige voorziening dient er dus terdege rekening mee te houden dat het verzoek op korte termijn na de indiening kan worden behandeld. De uitnodiging voor de zitting moet zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het verzoek om een voorlopige voorziening plaatsvinden, maar er is geen plicht om ook daadwerkelijk te verschijnen. In de uitnodiging moet worden gewezen op de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen.

Toezending stukken door bestuursorgaan en indiening nadere stukken

De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan de stukken moet aanleveren. Een verweerschrift is echter niet vereist. In afwijking van de termijn van tien dagen in een bodemprocedure, kunnen nadere stukken worden ingediend tot een dag voor de zitting. De mogelijkheid van indiening van nadere stukken moet in de uitnodiging voor de zitting worden vermeld.

Vereenvoudigde afdoening buiten zitting wegens “kennelijkheden”

Gelijk aan de vereenvoudigde behandeling in een bodemprocedure in beroep in het geval van kennelijkheden, kan (bevoegdheid, dus geen verplichting) de voorzieningenrechter meteen uitspraak doen zonder eerst een zitting te houden. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt als het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is (bijvoorbeeld bij geen betaling griffierecht), maar ook als de hoofdzaak naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kennelijk bij voorbaat kansloos wordt geacht.

Een dergelijke afdoening wordt ook gebruikt als er kennelijk geen sprake is van spoedeisend belang. Het begrip “kennelijk” houdt in, dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Redenen om bijvoorbeeld toch een zitting te houden, kunnen gelegen zijn in het voorlichten van partijen of om onmiddellijk een uitspraak in de hoofdzaak te kunnen doen waarbij een voorafgaande zitting verplicht is gesteld. Anders dan in de bodemprocedure, staat tegen een uitspraak op basis van de “kennelijkheden” (dus zonder zitting), geen verzet open.

Rechtsmiddelen tegen voorlopige voorziening

Tegen een uitspraak in het kader van een voorlopige voorziening, staat geen hoger beroep open. Wel kan tegen de uitspraak tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak, hoger beroep worden ingesteld. Ook in het geval dat er geen sprake is van “kennelijkheden”, heeft de voorzieningenrechter de bevoegdheid om in spoedgevallen meteen uitspraak te doen zonder voorafgaande zitting.

Daarmee heeft de voorzieningenrechter de mogelijkheid om direct in te grijpen bij een dreigend en onherstelbaar nadeel. De toestemming van de betrokken partijen is daarbij niet vereist. Wel gelden als voorwaarden dat onverwijlde spoed zulks moet vereisen en dat partijen door het afzien van een zitting niet in hun belangen worden geschaad.