Zienswijze voorafgaand aan afwijzing aanvraag om beschikking

Een bestuursorgaan is verplicht de aanvrager om een beschikking in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, indien het overweegt om de aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen en de “afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen” en voorts “die gegevens afwijken van de gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt”.

Feiten en belangen die aanvrager om beschikking betreffen

Een eerste voorwaarde voor het bestaan van de verplichting om de aanvrager van een beschikking in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze omtrent het te nemen besluit naar voren te brengen is dus, dat een mogelijke afwijzing zou steunen op gegevens en feiten die de aanvrager betreffen. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan gegevens over inkomen en arbeidsverleden en over de inrichting en de aard van een bedrijf bij het aanvragen van een vergunning.

Door aanvrager ter zake verstrekte gegevens

Naast de voorwaarde dat een mogelijke afwijzing zou steunen op gegevens en feiten die de aanvrager betreffen, dienen die gegevens tevens af te wijken van de gegevens die een aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. Pas als aan deze twee voorwaarden is voldaan, bestaat de plicht om een aanvrager in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen. Met de term “ter zake zelf verstrekt” wordt bedoeld, dat het niet mag gaan om gegevens die de aanvrager in een eerder stadium eens voor een ander doel heeft verstrekt.

Mogelijkheid tot geven zienswijze bij niet aangevraagde beschikking

Naast de verplichting voor een bestuursorgaan om een aanvrager om een beschikking in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen in het geval dat overwogen wordt om de aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen, bestaat deze verplichting ook in de gevallen dat een bestuursorgaan een beschikking neemt waartegen een belanghebbende – die de beschikking niet heeft aangevraagd – naar verwachting bedenkingen zal hebben. De plicht tot het bieden van de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen, is alleen van toepassing als de “beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen” en voorts “die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt”.

In tegenstelling tot de plicht om een aanvrager in de gelegenheid te stellen om een zienswijze naar voren te brengen als wordt overwogen om de aanvraag af te wijzen, gaat het hier dus om gevallen waarbij wordt overwogen om een beschikking te nemen waartegen een belanghebbende – die de beschikking niet heeft aangevraagd – naar verwachting bedenkingen zal hebben. Dergelijke gevallen doen zich voor als een bestuursorgaan voornemens is ambtshalve een belastende beschikking te nemen. De geadresseerde, in dat geval een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd, heeft in zo een situatie veelal een recht vooraf zijn zienswijze naar voren te brengen.

Voorts kan een dergelijke situatie zich voordoen als een voor de geadresseerde gunstige (al dan niet door hem aangevraagde) beschikking voor derden-belanghebbenden ongunstig uitwerkt. Deze derden-belanghebbenden hebben dan meestal een recht op het vooraf naar voren brengen van hun zienswijze.

Zienswijze beschikking als belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft

De verplichting om een belanghebbende in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen in de gevallen dat deze niet zelf de beschikking heeft aangevraagd, bestaat alleen als verwacht wordt dat er bedenkingen zijn tegen de voorgenomen beschikking. In het geval dat een beschikking dwingend uit een bepaald wettelijk voorschrift voortvloeit en over de vaststelling van de feiten in redelijkheid geen verschil van mening mogelijk is, dan mag een bestuursorgaan aannemen dat er geen bedenkingen bestaan en daarmee vervalt de plicht om een belanghebbende in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen.

Dit werd duidelijk in een uitspraak van de hoogste bestuursrechter waarbij een bouwvergunning werd aangevraagd die volgens het van toepassing zijnde bestemmingsplan niet geweigerd kon worden. Bij een dergelijke aanvraag die past binnen het bestemmingsplan en ook voor het overige voldoet aan alle criteria om in aanmerking te komen voor de betreffende vergunning, dan hoeven de buren niet te worden gehoord volgens de hoogste bestuursrechter.

Verzuim indienen zienswijze kan hersteld worden in bezwaar

In de praktijk blijkt dat bestuursorganen de plicht om een aanvrager in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen, regelmatig geschonden wordt. Toch leidt dat niet vaak tot een vernietiging van de beschikking, omdat het gaat om een gebrek in de primaire besluitvorming dat zich in bezwaar relatief eenvoudig laat repareren. De hoogste bestuursrechter oordeelde in een zaak waarbij verzuimd was om de aanvrager een zienswijze naar voren te laten brengen, dat de aanvrager dit alsnog tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase kenbaar heeft kunnen maken en dat niet was gebleken dat daardoor de processuele belangen zijn geschaad.

Wijze waarop zienswijze naar voren kan worden gebracht

Zoals al beschreven op de pagina “Zienswijze en de Uitgebreide Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV)”, is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling hun zienswijze over het nog te nemen besluit naar voren kunnen brengen. Een bestuursorgaan kan er niet voor kiezen om een belanghebbende de mogelijkheid te bieden om slechts schriftelijk of alleen mondeling een zienswijze naar voren te brengen. Uit de kennisgeving van het bestuursorgaan moet blijken dat belanghebbenden kunnen kiezen tussen het schriftelijk en/of mondeling naar voren brengen van een zienswijze.

Termijn waarop zienswijze naar voren moet worden gebracht

Het bestuursorgaan kan een termijn stellen waarbinnen een aanvrager en of andere belanghebbenden moeten reageren door middel van een zienswijze. Dit is niet uitdrukkelijk in regelgeving bepaald, maar ligt besloten in de ruime bevoegdheid. Indien een belanghebbende niet reageert binnen de daarvoor gestelde termijn, dan dient het bestuursorgaan het besluit te nemen op basis van een zo redelijk mogelijke interpretatie van de beschikbare gegevens waarbij de gestelde termijn wel redelijk moet zijn.

Geen mogelijkheid indienen zienswijze bij financiële beschikkingen

Met betrekking tot beschikkingen die strekken tot het vaststellen van financiële verplichtingen of aanspraken behoeft een bestuursorgaan niet de mogelijkheid te bieden tot het naar voren brengen van een zienswijze. De gedachtegang hierachter is het binnen de perken houden van de bestuurslasten. De wetgever heeft hierbij overwogen dat het bij deze beschikkingen doorgaans om grote aantallen gaat, terwijl te verwachten is dat er in deze gevallen vaak geen behoefte bestaat om een zienswijze naar voren te brengen. Dergelijke beschikkingen berusten namelijk veelal op eenduidige regels en gemakkelijk vast te stellen feiten, zodat voor betwisting van de beschikking meestal geen aanleiding bestaat.

Uitzonderingen op plicht tot bieden gelegenheid om zienswijze te geven

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn drie uitzonderingssituaties genoemd waarin het belang van doelmatig kunnen besturen zodanig voorop behoort te staan, dat de wetgever het bestuursorgaan voor die gevallen geen plicht heeft opgelegd om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen. Dit is het geval bij spoedeisende zaken die een snelle besluitvorming eisen, als een belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze naar voren te brengen en als een belanghebbende al eerder een zienswijze naar voren heeft gebracht bij een ander bestuursorgaan.

Spoedeisend

Er zijn gevallen waarin de geboden spoed eraan in de weg staat om belanghebbenden vooraf in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het opleggen van een last onder bestuursdwang waarbij direct optreden vereist is en er geen tijd verloren kan gaan met het bieden van de gelegenheid om een zienswijze naar voren te brengen.

Belanghebbende is al eerder in de gelegenheid gesteld

Een tweede uitzondering mag worden gemaakt als een belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze bij een eerdere gelegenheid (bij hetzelfde bestuursorgaan) naar voren te brengen. Bij een eerdere gelegenheid moet gedacht worden beschikkingen die regelmatig opnieuw moeten worden genomen (bijvoorbeeld jaarlijks terugkerende aanvragen om een vergunning).

Indien ieder jaar dezelfde feitelijke problematiek aan de orde is en over die problematiek bij een eerdere gelegenheid is gehoord, behoeft dit niet te worden herhaald zolang er geen reden is te veronderstellen dat er verandering in de omstandigheden is gekomen. Het gaat er dus om dat het bestuursorgaan al beschikt over de zienswijze van een betrokkene en dat die nog betrekking heeft op dezelfde niet gewijzigde feiten of omstandigheden.

Zienswijze bij ander bestuursorgaan naar voren gebracht

Een uitzondering mag voorts worden gemaakt als de belanghebbende terzake van de aangelegenheid waarop de voor te bereiden beschikking betrekking heeft, al een zienswijze naar voren heeft gebracht bij een ander bestuursorgaan. Voor sommige aangelegenheden is namelijk een beschikking van verschillende bestuursorganen nodig. Indien een belanghebbende dan al door een ander bestuursorgaan is gehoord, dan bestaat er geen behoefte om diegene nogmaals in de gelegenheid te stellen een zienswijze naar voren te brengen.