Zes puur materiële beginselen van behoorlijk bestuur

De zes puur materiële beginselen van behoorlijk bestuur betreffen het verbod van detournement de pouvoir, het verbod van willekeur, het materiële rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het materiële zorgvuldigheidsbeginsel.  Zoals al besproken op de pagina inzake de “Algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, hebben de puur materiële beginselen van behoorlijk bestuur betrekking op de inhoud (dictum) en de uitvoering van besluiten.

Verbod van detournement de pouvoir (misbruik van bevoegdheid)

Een bestuursorgaan mag zijn bevoegdheid niet voor een ander doel gebruiken dan de doeleinden waartoe die bevoegdheid gegeven is. Bevoegdheden van de overheid mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van het algemeen belang en binnen dat algemeen belang alleen voor de specifieke doeleinden die de wetgever bedoeld heeft.

Verbod van willekeur

Een bestuursorgaan dient de in aanmerking komende belangen op een juiste wijze af te wegen om zodoende te komen tot een weloverwogen besluit. Indien een bestuursorgaan in alle redelijkheid niet tot dat besluit had kunnen komen, dan is er sprake van willekeur. Toetsing van het beleid aan het verbod van willekeur houdt dus in, dat wordt beoordeeld of het toegepaste beleid door de beugel kan.

In het verbod van willekeur moet een evenwicht tussen rechtmatigheid en doelmatigheid worden gevonden. De vrijheid die een bestuursorgaan heeft om tot een eigen oordeel te komen, wordt begrensd door het vereiste dat er belangen moeten worden afgewogen. Indien de rechter om een oordeel wordt gevraagd of het bestuursorgaan in redelijkheid tot een bepaald oordeel heeft kunnen komen, dan zal hij dit slechts marginaal toetsen. Een marginale toetsing door de rechter inzake het verbod van willekeur houdt in, dat het in beginsel aan bestuursorganen wordt overgelaten om te bepalen wat zij juist vinden en als die beslissing écht niet door de beugel kan, dan pas grijpt de rechter in.

Het verbod van willekeur heeft een verdere verfijning in de vorm van het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel waakt er tegen dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit, niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Materiele rechtszekerheidsbeginsel

Het materiële rechtszekerheidsbeginsel betekent dat het geldende recht moet worden toegepast en dat besluiten niet met terugwerkende kracht mogen worden gewijzigd ten nadele van de betrokkenen. In alle gevallen dat het bestuursorgaan een bestuursbevoegdheid frequent gebruikt en de wijze van gebruik van die bevoegdheid in beleidsregels heeft uiteengezet, brengt het rechtszekerheidsbeginsel met zich mee dat het bestuur die regels dient te respecteren en deze regels niet zonder nadere motivering terzijde mag leggen. De rechtszekerheid verzet zich tegen regelingen die met terugwerkende kracht worden ingevoerd, althans voor zover het om belastende maatregelen gaat.

Vertrouwensbeginsel

Het vertrouwensbeginsel verlangt dat bestuursorganen “een opgewekt vertrouwen” niet beschamen. De burger moet kunnen vertrouwen op het recht hetgeen betekent dat besluiten helder dienen te zijn en dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gehonoreerd. Het vertrouwensbeginsel beschermt u dus als u op goede gronden meende te mogen vertrouwen dat een bestuursorgaan een bepaald beleid zou voeren of een bepaald besluit zou nemen. Hierbij speelt wel een rol waarop het vertrouwen is gebaseerd, bijvoorbeeld een betrouwbare of een niet betrouwbare bron.

Daarnaast wordt gekeken naar het “dispositievereiste” (in hoeverre is gehandeld op basis van het vertrouwen) en de “contra-indicaties” (zijn er argumenten om een gerechtvaardigd vertrouwen toch niet tegemoet te komen). Die bescherming geldt in het bijzonder als u op grond van dat vertrouwen acties heeft ondernomen die u anders niet of op een andere wijze zou hebben uitgevoerd (het zogenaamde dispositievereiste).

Bij de vraag óf en, zo ja, op welke wijze gewekt vertrouwen honorering verdient, spelen meerdere factoren een rol. Hierbij moet gedacht worden aan de bevoegdheid om vertrouwen te wekken (in beginsel kan slechts vertrouwen worden ontleend aan verwachtingen die door het beslissingbevoegde orgaan zélf zijn gewekt, de handeling waardoor het vertrouwen is gewekt (een bron van vertrouwen kan bijvoorbeeld zijn een inlichting, een precedent of het gedogen van een onwettige situatie) of factoren die juist aan het honoreren van de verwachtingen in de weg kunnen staan (bijvoorbeeld een getroffen overgangsregeling of een aangeboden schadevergoeding).

Daarbij komt dat de burger op basis van dit vertrouwen al handelingen moet hebben verricht of zelfs al schade moet hebben geleden. Wel dient een causaal verband aanwezig te zijn tussen het vertrouwen en het nadeel. Als de schade ook zonder het gewekte vertrouwen was ontstaan, dan slaagt een beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

Gelijkheidsbeginsel

Het gelijkheidsbeginsel is rechtstreeks afkomstig uit de Grondwet. houdt in dat, gelet op het van toepassing zijnde beleid, gelijke gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij verschillen (gelijke monniken, gelijke kappen). Een bestuursorgaan moet individuele, concrete beschikkingen nemen in overeenstemming met het door haar in zulke zaken gevoerde beleid. De belanghebbende wordt het daarbij in een procedure zo makkelijk mogelijk gemaakt. Het enige dat een belanghebbende moet doen, is aangeven dat het gelijkheidsbeginsel wordt aangetast. Het bestuursorgaan zal vervolgens moeten aantonen dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Materiële zorgvuldigheidsbeginsel

Het materiële zorgvuldigheidsbeginsel houdt in, dat overheidsmaatregelen zo min mogelijk schade veroorzaken. Het beginsel kent drie aspecten, namelijk het beginsel van de minste pijn (de lasten voor betrokkenen mogen niet zwaarder zijn dan in dat geval strikt noodzakelijk, het evenredigheidsbeginsel (de lasten mogen niet onevenredig zwaar zijn gezien de doelen die het besluit wil dienen) en égalité devant les charges publiques (lasten mogen niet meer op de een dan op de ander drukken).

Materieel onzorgvuldig is dus een besluit dat zwaardere lasten op u legt dan in dat geval strikt noodzakelijk is. Er dient evenredigheid te bestaan tussen het besluit en de lasten die daaruit voortvloeien (het middel) en het algemeen belang dat in casu in het geding is (het doel). De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.