Vier puur formele beginselen van behoorlijk bestuur

De vier puur formele beginselen van behoorlijk bestuur betreffen het zorgvuldigheidsbeginsel, het zogenaamde fair play beginsel, het beginsel van een onpartijdig bestuur en het formele rechtszekerheidsbeginsel. Zoals al beschreven op de pagina inzake de “Algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, hebben de puur formele beginselen van behoorlijk bestuur betrekking op de voorbereiding en de totstandkoming van besluiten.

Zorgvuldigheidsbeginsel

Bij de voorbereiding van besluiten rust op het bestuursorgaan een algemene onderzoeksplicht. Het bestuursorgaan moet de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Indien het gaat om een besluit dat wordt genomen op een aanvraag en het bestuursorgaan ontdekt bij de behandeling daarvan dat bepaalde gegevens gemist worden, dan zal het daar uitdrukkelijk om moeten vragen. Gaat het om gegevens die het bestuursorgaan relatief makkelijker kan verkrijgen dan de aanvrager, dan dient het bestuursorgaan zelf deze gegevens te vergaren.

Daarnaast vereist het zorgvuldigheidsbeginsel dat een bestuursorgaan relevante belangen meeweegt in haar besluitvorming. Bovendien kan uit de aard van de aanvraag of uit de aard van het te nemen besluit voortvloeien, dat het bestuursorgaan advies moet inwinnen of een inspraakprocedure dient te organiseren. Hierbij dient gedacht te worden aan de beoordeling van een planschadeclaim of aan een besluit met belangrijke consequenties voor de omgeving.

Fair play beginsel

Het bestuursorgaan dient een “eerlijk spel” (fair play) te spelen bij de voorbereiding van besluiten. Het bestuursorgaan moet daarbij een open en onbevooroordeelde (onpartijdige) houding aannemen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het fair play beginsel geformuleerd als zijnde dat bestuursorganen de publieke taken zonder vooringenomenheid dienen te vervullen. Daarbij mogen personen die werkzaam zijn bij een bestuursorgaan en die tevens een persoonlijk belang hebben bij een besluit, de besluitvorming op geen enkele wijze beïnvloeden.

Een typisch voorbeeld hierbij uit de jurisprudentie betreft een ondernemer die een bestuursorgaan had verzocht of hij het gehuurde bedrijfspand alwaar hij zijn activiteiten ontplooide, mocht verbouwen om het vervolgens te kunnen kopen. Het bestuursorgaan gaf daar heel bewust geen reactie op, aangezien het zelf het betreffende bedrijfspand wilde aanschaffen in verband met de aanleg van een weg te plaatse. Het bestuursorgaan nam dus geen besluit op het verzoek van de huurder, maar kocht vrij snel daarna zelf het bedrijfspand. De bestuursrechter in deze zaak kwam tot het oordeel, dat er geen eerlijk spel was gespeeld door het bestuursorgaan. Immers, het bestuursorgaan had misbruik gemaakt van de beschikbare informatie.

Beginsel van onpartijdigheid en geheimhouding

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan haar taak zonder vooringenomenheid dient te vervullen en er tegen moet waken dat ondergeschikten die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, bij de besluitvorming zijn betrokken.

Een bestuursorgaan moet dus altijd objectief handelen en de taken vervullen zonder daarbij de eigen belangen van invloed te laten zijn. Teneinde dit te bewerkstelligen, dient het bestuursorganen zich actief op te stellen om iedere vorm van een vooropgezette mening of opvatting te vermijden. Eveneens moet de schijn van partijdigheid worden vermeden. Daarnaast heeft een bestuursorgaan een geheimhoudingsplicht ten aanzien van vertrouwelijke gegevens.

Formele rechtszekerheidsbeginsel

Besluiten moeten op duidelijke wijze zijn geformuleerd en de betekenis ervan dient niet afhankelijk te zijn van de uitleg door een ander. Degene die geconfronteerd wordt met een besluit van een bestuursorgaan, moet kunnen weten waar hij of zij aan toe is.

Indien het college van burgemeester en wethouders bijvoorbeeld een last onder dwangsom aan u oplegt, dan moet zij daarin duidelijk en helder maken wat van u precies verlangd wordt om aan de last te voldoen en zodoende het verbeuren van de dwangsom te voorkomen.