Te laat ingesteld beroep in beginsel niet ontvankelijk

Niet alle overschrijdingen van de termijn om beroep in te stellen, mogen leiden tot het niet ontvankelijk verklaren daarvan. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is namelijk bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift een ”niet ontvankelijkverklaring” achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding). De insteller van beroep zal dan wel aannemelijk moeten maken dat hij het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs van hem kon worden verlangd.

Bij verschoonbare termijnoverschrijdingen kan een onderscheid worden gemaakt tussen ”bijzondere omstandigheden” die de insteller van het beroep persoonlijk betreffen (bijvoorbeeld een ongeval) en “omstandigheden aan de zijde van het bestuursorgaan” bijvoorbeeld het niet vermelden van de mogelijkheid om beroep in te stellen).

Te laat ingesteld beroep soms “verschoonbaar”

De rechtspraak over de vraag of “redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is”, is erg casuïstisch. De vraag moet beantwoord worden of een belanghebbende ten gevolge van “bijzondere omstandigheden die hem persoonlijk treffen” of door “omstandigheden aan de zijde van het bestuursorgaan” niet tijdig van de rechtsmiddelen gebruik heeft kunnen maken.

Bijzondere omstandigheden die belanghebbende persoonlijk treffen

In de jurisprudentie is bepaald dat in het geval een belanghebbende als gevolg van ziekte niet in staat kan worden geacht om zelf tijdig beroep in te stellen, van diegene verwacht mag worden dat iemand anders wordt ingeschakeld ter behartiging van diens belangen. Alleen in bijzondere gevallen kan daarop in verband met het dwingende karakter van de termijn om in beroep te gaan een uitzondering worden geaccepteerd, indien wordt aangetoond dat het niet mogelijk was om een belangenbehartiger in te schakelen.

Een dergelijk geval doet zich voor indien de belanghebbende door een ernstig ongeval enige tijd is uitgeschakeld of wanneer de geestestoestand van de belanghebbende dusdanig is dat hij niet in staat kan worden geacht zijn belangen voldoende te behartigen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen worden aangetoond aan de hand van verklaringen van artsen.

Verder wordt bijvoorbeeld een vakantie of een verblijf in het buitenland om andere redenen, in het algemeen ook niet als argumenten beschouwd voor een “verschoonbaar verzuim”. Van geval tot geval zal dus beoordeeld dienen te worden of er bijzondere omstandigheden zijn die de belanghebbende persoon betreffen waardoor deze niet of niet tijdig beroep heeft ingesteld.

Omstandigheden aan zijde bestuursorgaan

Onder omstandigheden aan de zijde van het bestuursorgaan kunnen bijvoorbeeld het niet tijdig ontvangen van het besluit door de geadresseerde worden geschaard alsmede het niet toezenden van het besluit aan de gemachtigde van de belanghebbende en het niet of niet op de juiste wijze vermelden van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het betreffende besluit.

Niet tijdig ontvangen besluit

In de jurisprudentie wordt de “lijn” gevolgd dat ”als op voldoende wijze vaststaat dat een besluit door een bestuursorgaan verzonden is, dat besluit de geadresseerde niet veel later bereikt”. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit op voldoende wijze aannemelijk heeft gemaakt, dan ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om het tegendeel te bewijzen. Een geadresseerde dient dan feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs in twijfel kan worden getrokken. Zo zouden er bepaalde problemen kunnen zijn met de postbezorging waardoor het aannemelijk is dat het besluit te laat ontvangen is.

In dat geval zou de overschrijding van de termijn om beroep in te stellen als overmacht (verschoonbaar) worden beschouwd. De diverse, hoogste rechtscolleges in Nederland gaan verschillend om met deze materie. Bij sommige rechtscolleges wordt er wat soepeler omgegaan met de bewijslast ten aanzien van de ontvangst van het besluit.

Niet toezenden besluit aan gemachtigde belanghebbende

De Raad van State heeft bepaald dat het betreffende bestuursorgaan het besluit ook had moeten toezenden aan de gemachtigde van appellant nu deze zich had laten vertegenwoordigen in de bedenkingsfase. Na het bekend worden van het besluit aan de gemachtigde, heeft deze meteen alsnog beroep ingesteld. Het niet ontvankelijk verklaren wegens het na afloop van de beroepstermijn indienen van het beroepschrift, bleef in deze zaak achterwege.

Geen (correcte) vermelding rechtsmiddelen (bezwaar- en beroepsclausule)

Uit de wetsgeschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijkt dat het nalaten van een correcte vermelding van rechtsmiddelen (bezwaar- en beroepsclausule), een aanleiding kan vormen tot het verschoonbaar achten van een termijnoverschrijding. Ook een onjuiste vermelding van de beschikbare rechtsmiddelen kan leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

Ook op dit punt hanteren de hoogste bestuursrechters verschillende opvattingen. Zo volgen in het algemeen het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) en de Hoge Raad (HR) de opvatting die overeenkomt met de wetsgeschiedenis. Als voorbeeld kan hierbij aangehaald worden een zaak waarbij het te laat indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar werd geacht, omdat de persoon in kwestie mocht vertrouwen op de juistheid van de namens verweerder gedane vermelding in de Staatscourant alwaar in de rechtsmiddelenclausule was aangegeven dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift daags daarna zou beginnen. Verweerder was echter van mening dat deze persoon zich nader omtrent de mogelijkheden van het indienen van een bezwaarschrift had behoren te informeren, maar deze mening werd niet door de bestuursrechter gedeeld.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteren een andere visie. Deze colleges gaan er van uit dat het enkele niet of niet juist vermelden van de mogelijke rechtsmiddelen onvoldoende is voor het verschoonbaar achten van het overschrijden van de termijn om bezwaar te maken. Dat ook deze rechtscolleges niet altijd deze visie hanteren, blijkt uit een casus van de CRvB waarbij de bestuursrechter oordeelde dat “redelijkerwijs niet kon worden gesteld dat de persoon in kwestie met betrekking tot de overschrijding van de termijn in verzuim is geweest”.

Het ging daarbij om facturen die niet waren “gepresenteerd” als een besluit en deze facturen waren ook niet als zodanig herkenbaar, terwijl het eveneens onduidelijk was dat het betreffende “Centraal Administratie Kantoor (CAK)”, een bestuursorgaan was. Om deze reden hoeft de persoon in kwestie er dus niet op bedacht te zijn dat er sprake was van een besluit waartegen uitsluitend binnen zes weken bezwaar kon worden gemaakt.

Beroep zo spoedig mogelijk alsnog instellen

Indien er al sprake is van een verschoonbare overschrijding van de termijn om een beroepschrift in te dienen, dan dient in ieder geval zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is alsnog beroep te worden ingesteld. In beginsel beschikt een belanghebbende dan niet over de volle termijn van zes weken om in beroep te gaan, aangezien de rechtspraak in zulke gevallen een termijn van veertien dagen in het algemeen als een redelijke termijn beschouwt.