Eiser(s) en verweerder(s) in beroep

Als u beroep instelt tegen een besluit van een bestuursorgaan, dan bent u procespartij. Het bestuursorgaan die het besluit genomen heeft, is in dat geval de andere procespartij. Degene die beroep instelt is de eiser(es) en het bestuursorgaan die het betreffende besluit verdedigt, wordt de verweer(der)(ster) genoemd. Regelmatig komt het voor dat er nog meer procespartijen zijn in een beroepsprocedure. Dat kunnen bijvoorbeeld personen zijn die tegen hetzelfde besluit beroep hebben ingesteld of personen die gevolgen ondervinden van het besluit. Eventuele derden in een procedure hebben ook het recht om schriftelijk hun standpunt(en) uiteen te zetten.

Recht van vertegenwoordiging in beroep

In een bestuursrechtelijke procedure kunt u zelf optreden en dus daarmee uw eigen zaak behartigen. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft u het recht om u in een beroepsprocedure te laten vertegenwoordigen. Van een vertegenwoordiging is sprake als de vertegenwoordigde partij niet persoonlijk of alleen als zijnde een waarnemer aanwezig is. De kern van deze rechtsfiguur is, dat de handelingen van de vertegenwoordiger aan de vertegenwoordigde worden toegerekend. Indien men dus zijn belangen in een procedure overdraagt aan een gemachtigde, dan moet deze in het algemeen de gevolgen van diens processuele optreden dragen. Bij vertegenwoordiging is de rechtbank wel verplicht om alle processtukken sowieso aan de gemachtigde toe te zenden.

Schriftelijke machtiging bij vertegenwoordiging in beroep

Als u iemand machtigt om namens u beroep in te stellen, dan dient desgevraagd aan de rechtbank een schriftelijke machtiging te worden overlegd om de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen. De rechtbank kan al om een machtiging vragen vanaf het moment van het aanhangig maken van het beroep, dus al voor de oproeping ter zitting De rechtbank is echter niet verplicht om een schriftelijke machtiging te vragen.

De Hoge Raad heeft in een uitspraak bepaald dat in het geval een gemachtigde ten tijde van het instellen van het beroep niet over een schriftelijke machtiging beschikt, dit gebrek verholpen kan worden tijdens de (rechts)zitting of door voorafgaand daaraan alsnog een schriftelijke machtiging te overleggen. Hiermee kan dus geconcludeerd worden, dat het ontbreken van een machtiging ten tijde van het instellen van beroep onvoldoende is om het beroepschrift terstond niet ontvankelijk te verklaren.

Indien voor een rechtspersoon beroep wordt ingesteld, dan mag de rechtbank van de indiener van het beroepschrift verlangen dat deze – naast uiteraard een volmacht waaruit blijkt dat deze persoon gerechtigd is om beroep in te stellen – eveneens een uittreksel van het verenigingen-, stichtingen- of handelsregister overlegt.

Indien u vertegenwoordigd wordt door een advocaat, dan is er echter geen machtiging vereist. Het verkeer dat in het algemeen plaatsvindt tussen de rechtbank en advocaten is meestal van dien aard, dat deze personen meestal wel bekend zijn bij de betreffende rechtbank. Het is daarom echter voldoende dat een advocaat meedeelt vertegenwoordigingsbevoegd te zijn. Deze omstandigheid moet wel op tijd gemeld worden als een rechter verzoekt om de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen.

Reikwijdte machtiging 

Aan de hand van de machtiging kan de reikwijdte van de (proces)vertegenwoordigingsbevoegdheid worden vastgesteld. De schriftelijke machtiging dient in ieder geval voldoende specifiek te zijn. Volgens het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) strekte een machtiging voor de “indiening en afhandeling van aanvragen” zich niet uit tot het indienen van een bezwaarschrift en naar mag worden aangenomen geldt dit dus ook voor het instellen van beroep bij de bestuursrechter van de rechtbank.

Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) reikte een in bezwaar in zeer algemene bewoordingen verstrekte machtiging, niet tot een bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep. De Centrale Raad voor Beroep (CRvB) stelde in een uitspraak dat een machtiging om belanghebbenden te vertegenwoordigen bij het instellen en het behandelen van het beroep, niet kon leiden tot de bevoegdheid om ook het beroep in te trekken.

De rechter

Uiteraard is de rechter ook partij in de procedure. In de meeste gevallen behandelt één rechter de beroepszaak. Het kan ook gebeuren dat de zaak wordt behandeld door drie rechters. Dit is het geval als de zaak van belang is voor de ontwikkeling van het recht, als het om een complexe zaak gaat of als het maatschappelijk belang van de uitspraak groot is.

Getuigen en deskundigen

Daarnaast kunnen getuigen en deskundigen nog partij zijn in de procedure. Een getuige is iemand die belangrijke informatie kan geven over een aspect van de zaak. Iedere procespartij kan de rechter vragen een getuige te horen waarover de rechter uiteindelijk beslist. De rechter vraagt soms een deskundige om advies. Dat kan bijvoorbeeld een onafhankelijke arts zijn. Men krijgt als procespartij de gelegenheid om te reageren op het advies van de deskundige. Men kan echter ook zelf een deskundige inschakelen indien dat gewenst is.